'GEVEN JULLIE ZE MAAR TE ETEN!' (2011)

Nog niet gepubliceerd
×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

VRAAG EN ANTWOORD

Ik las een zinnetje van een protestantse theoloog (Ruard Ganzevoort in Trouw 16/7/2011) ‘Vraag: mag ik genieten van de rijkdom hier, die voor driekwart gestolen is? Antwoord: Ja, dat mag! Maar’, zo voegt hij er onmiddellijk aan toe, ‘de spanning tussen die vraag en dat antwoord wil ik niet loslaten.’
Ik wil die uitspraak nog wat aanscherpen: Mag ik genieten van alle overvloed in een wereld die zo vol ellende is? Ja dat mag! Maar tussen die vraag en dat antwoord ligt een enorme spanning. En die is een levensopdracht.


AFRIKA
De zaterdag dat ik dit gelezen had in de krant, verschenen ‘s avonds beelden in het journaal over de honger in Afrika. Ik zat met een bord spaghetti voor de televisie en keek naar het nieuws. Terwijl ik de pasta om mijn vork draaide, stond ineens die moeder voor me met treurige trage ogen en een uitgehongerd kind op de arm. Een half miljoen kinderen is met de dood bedreigd. Meer dan tien miljoen mensen lijden honger. Tienduizenden Somaliërs zijn van de honger omgekomen. Er woedt een burgeroorlog. Een extremistische regering onderdrukt de bevolking. In Ethiopië is een falend landbouwbeleid medeschuld aan de honger. De hulpverlening kwam moeizaam op gang. Je wilt ook geen verkeerd regime steunen en bovendien was de vakantie uitgebroken bij ons. Maar dan zie je een moeder met een uitgehongerd kind... Al die politieke overwegingen tellen niet meer. De vakantie is geen excuus. Je moet iets doen. Er zijn gebieden waar het in zestig jaar niet droger is geweest en waar negentig procent van al het vee dood is en dat zal voor talloze families nog vele jaren zware gevolgen hebben. Mag je nog genieten van je eigen avondmaal terwijl zich in de hoorn van Afrika een ramp voltrekt? Ja! Maar tussen die vraag en dat antwoord ligt een verplichting.


GRIEKENLAND

Zo wordt je verward met je bord spaghetti voor de televisie. Op gironummer 555 was 7 miljoen opgehaald voor de hongerenden in Afrika en miljarden gaan naar Griekenland want daar worden onze tegoeden en spaarcenten bedreigd. Ik mag mijn spaargeld koesteren in een wereld vol nood, maar tussen die twee feiten ligt een verantwoordelijkheid. Alle verwarring en cijfers, alle politieke commentaren, kunnen dat beeld niet wegwissen van die moeder met haar uitgehongerd kind.


GODS KONINKRIJK

Het evangelie is daarover zeer duidelijk. Het Rijk van God is een maaltijd voor alle mensen. Het Rijk van God is breken en delen totdat iedereen verzadigd is. De mens is geen roofdier, waar het sterkste beest er met het meeste voedsel vandoor gaat. Of liever, misschien zijn we dat wèl, maar dan groeit er een spanning in ons hart, dan protesteert de stem van God, dan klinkt de roep om zijn koninkrijk. Het brood en de vis moeten worden gedeeld. Dat maakt onze heiligheid uit; dat eist onze waardigheid.
‘Geloof je dat nou echt’, vroeg iemand aan me. ‘Dat van het koninkrijk van God?’ Ja dat geloof ik echt. Ik geloof er nít in als in een sprookje. Het is geen mooi verhaaltje dat met verzoent met een wrede wereld. Het is zeker ook geen politiek concept, geen partijprogramma. Maar het is wel een werkelijkheid die mijn hoop voedt op een rechtvaardige wereld en die mijn verlangen wekt naar een nieuwe schepping. Het rijk van God is de werkelijkheid waar in ik thuis hoor. Het is de wereld waarin geen kinderen sterven, waarin het brood er is voor iedereen en waarin alle mensen die op de vlucht zijn en ontheemd, samen gebracht worden als de twaalf stammen van Israël, als de brokken brood in 12 manden na de maaltijd.
Dus, laten we iets doen van de week, als u dat nog niet gedaan hebt. Iets voor de Afrikanen. Stort wat op 555, of - als u dat niet helemaal vertrouwt, probeer dan wat brood op een andere manier in Afrika te krijgen. Want wíj zijn die leerlingen tot wie Jezus zegt: ‘Geven jullie ze maar te eten!’


MEREL DEELT UIT

Lieve kinderen. Merel was jarig. Ze werd al negen jaar. Ze mocht tracteren in de klas. Ze stopte 26 zakjes chips in haar tas. ‘Maar Inge krijgt er geen!’, had ze bij het inpakken gezegd. ‘Dat kun je niet maken!’, zei mamma. ‘Je kunt niet alle kinderen chips geven en Inge niet.’ ‘Ja maar Inge plaagt me altijd. Dan roept ze: schele! En dan lachen de anderen me uit.’ ‘Vind je dat niet leuk?’, vroeg mamma rustig. ‘Natuurlijk niet!’, riep Merel. Ze werd steeds bozer. ‘Vond je het leuker als ze je vriendinnetje was? Dan behandel haar ook zo!’, zei mamma streng. En dus stopte ze nog een 27ste zakje in de tas. Mamma deed er nog eentje bij met de woorden: ‘Voor de zekerheid.’ In de klas kreeg ze er plezier in. De kinderen hadden voor haar gezongen en ze ging uitdelen. Iedereen kreeg een zakje, ook de juf. En toen ze bij Inge kwam dacht ze ineens aan mamma: ‘Vind je het leuker als ze je vriendinnetje was?’ en ze legde pardoes twee zakjes voor haar neer. ‘Voor de zekerheid’ dacht ze nog. Inge vroeg onzeker: ‘Krijg ik er twee?’ En Merel zei: ‘Nee, ik ben scheel!’