Wat God toekomt (Mt. 22,15–22)

 

 

Tot hoelang moet men wachten aleer men het geld dat men met werken verdient voor zichzelf kan houden? Het duurt weken, zelfs maanden en dit is afhankelijk van de belastingsschaal. Sommige beweren dat ze maar pas in mei er kunnen aan beginnen. Tot dan hebben ze wat ze verdienen aan belanstingen uitgegeven. Het zijn geen arme stakkers, die zich daar in herkennen. Er zijn niet teveel landen waar mensen enthousiast belastingen betalen. Het maakt nochtans deel uit van een burgerzin en behoort tot de verdelende rechtvaardigheid. De Staat zorgt voor allerlei dienstverleningen.

 

 

Belastingen, waarom?

 

Koning Salomo zou de eerste heerser in Israël geweest zijn die op regelmatige basis belastingen invoerde (1 Kon. 4,7; 12,4; Esra 4,20). In het boek Exodus is er al sprake van een soort belasting, te betalen tijdens een volkstelling en te gebruiken voor de dienst in de ontmoetingstent (Ex 30,11-16).

 

 

In de tijd van Jezus waren er belastingen voor de tempel en voor de Staat. Wanneer Jezus in Kafarnaüm was, vroegen de inners van de tempelbelasting aan Petrus of Jezus zijn bijdrage had betaald. Alhoewel Jezus denkt dat hij gezien zijn zending er van vrijgesteld zou zijn, onttrekt hij zich niet (Mt.17,23-27). Hij heeft dan een gemakkelijke oplossing, die velen zouden willen overnemen. Hij stuurt Petrus naar het meer om een vis te hengelen. In de muil van de vis stak een geldstuk, waarmee Petrus zowel zijn eigen belasting als die van Jezus kon betalen.

 

 

Wanneer Jezus in Jeruzalem is, wordt hij aan de tand gevoeld wegens de belasting aan de keizer. In het jaar 6/7 n. Chr hadden de Romeinen een belasting ingevoerd te betalen met een Tiberius denar waar het beeltenis van de keizer op stond en de vermelding „TI(BERIUS) CAESAR DIVI AUG(USTI) FI(LIUS) AUGUSTUS“. Voor de gelovige jood was dit onaanvaarbaar. Het was een verraad aan de enige God. Zeloten kwamen daartegen in opstand.

 

 

Maar de keizer had ook zijn sympatisanten. Dit waren onder meer de Herodianen, de mannen van Herodes, die zijn invloed te danken had aan de goede verstandhouding met de keizer

 

 

En dan was een groep, die er zijn genoegen in had Jezus in een moeilijk parket te brengen. Ze willen met hun vraag over al of niet belasting te betalen aan de keizer Jezus in de val lokken. “Wanneer hij bevestigend antwoordde, maakt hij zijn verkondiging van de heerschappij van God in de ogen van zijn tegenstanders ongeloofwaardig. Wanneer hij ontkennend antwoordde, kon hij wegens opstand tegen de keizerlijke macht aangeklaagd en veroordeeld worden” (Leven vanuit het geloof / Leidraad voor het toegepast christen-zijn, p. 261).

 

 

Jezus antwoordt heel handig en gewikt. Hij ontmaskert ermee de vraagstellers. Hij beantwoordt echter hun vraag niet, hij laat het aan hen over of zij al of niet belasting zullen betalen. Deze moeten er zelf over beslissen.

 

 

Jezus zoekt geen te grote problemen met de politieke macht. Hij deed daarover weinig uitspraken. Hij weet “dat heersers hun volken onderdrukken en dat leiders hun macht misbruiken” (Mt. 20,25). Hij zelf wordt uiteindelijk slachtoffer van de politieke en religieuze leiders die hem tot de kruisdood veroordelen.

 

 

Fundamenteel onderscheid

 

Geef aan de keizer wat aan de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.” Het is een zin die blijft nazinderen. Jezus geeft een fundamenteel antwoord: “Jezus erkent het recht van de Staat op te eisen wat hem toekomt, maar hij beperkt dit recht door Gods souvereiniteit. Hij gaat verder dan de politieke vraagstellling en verkondigt dat Gods recht het hoogste is. Dat houdt een veroordeling in van onrechtvaardige eisen en aanspraken op macht waarin God veronachtzaamd wordt” (Ib. p. 261-262).

 

 

Paus Benedictus XVI schreef in zijn encycliek over de Caritas. “De rechtvaardige ordening van de samenleving en van de staat is de centrale opdracht van de politiek. Een staat die niet door gerechtigheid gedefinieerd zou zijn, zou niets anders zijn dan één grote roversbende, zoals Augustinus ooit heeft gezegd. Fundamenteel voor de structuur van het christendom is het onderscheid tussen wat ‘van de keizer’ is en ‘wat God toekomt’ (Mt. 22,21), dat wil zeggen het onderscheid tussen staat en Kerk of, zoals Vaticanum II zegt, de autonomie van het aardse (Gaudium et Spes, constitutie over de kerk en de wereld van deze tijd, n° 36). De staat mag geen godsdienst voorschrijven, maar moet de vrijheid van godsdienst en de vrede van de belijders van de verschillende godsdiensten onder elkaar waarborgen; de Kerk als de sociale uitdrukking van het christelijk geloof heeft van haar kant haar onafhankelijkheid en leeft vanuit haar geloof haar vorm van gemeenschap, die de staat te eerbiedigen heeft. Beide terreinen zijn onderscheiden, maar toch op elkaar betrokken” (God is liefde, n° 28).

 

 

Alles is van God, maar zij die voor hem opkomen of in zijn naam optreden mogen zich niet alles toe-eigenen. In de eerste eeuwen waren christenen in de minderheid. Ze waren loyaal tegenover de Staat. Paulus had hen op de weg gezet en goede raad gegeven: “Iedereen moet het gezag van de overheid erkennen, want er is geen gezag dat niet van God komt. … Geef iedereen wat hem toekomt: belasting aan wie u belasting verschuldigd bent, accijns aan wie u accijns verschuldigd bent, ontzag aan wien ontzag toekomt, eerbied aan wie eerbied toekomt” (Rom. 13, 1-7). Wanneer dit gezag voor zich goddelijke eer opeiste, hebben christenen zich verzet en zijn velen daarom vervolgd en als martelaar gestorven.

 

 

Door Keizer Constantijn veranderde de positie van de kerk en kreeg deze meer invloed en geraakten kerk en politiek met elkaar vermengd en verstrengeld. In het Westen zijn we doorheen een lang proces gegaan om te komen tot een scheiding van kerk en staat, van religie en politiek.

 

 

Vanuit de vrijheid van godsdienst kan een levensovertuiging en een religie zich aan anderen bekend maken. In de oktobermaand beleven katholieken hun solidariteit met gelovigen in andere landen en culturen. De maand van de wereldkerk is de verbondenheid van de missie in de vijf kontinenten.

 

 

Open op transcendentie

 

Dit jaar gaat hierbij de aandacht naar de christenen in Korea. Bisschop Van Looy kan daarover getuigen, gezien hij er tien jaar als missionaris mocht werken. Hij heeft meegemaakt hoe tijdens de dictatuur de kerk aldaar onder leiding van kardinaal Kim haar rol opnam. Zijn ervaringen in dit land in het verre Oosten spelen mee wanneer hij spreekt over de rol van de religie. In zijn gesprek met Emmanuel van Lierde zegt de bisschop van Gent dat het te ver gaat wanneer men religie achter de voordeur wil bannen. “Gun de religies hun plaats in het publieke leven. De neutraliteit van de staat hoeft niet te betekenen dat alle levensbeschouwing uit de publieke ruimte moet verdwijnen. Dat we als levensbeschouwingen niet meer het recht zouden hebben onze mening te verkondigen of ons geloof te uiten, is beslist een brug te ver. Geloof hoort zich ook in daden te uiten en de missionaire dynamiek zet er ons juist toe aan naar buiten te komen, de hand te reiken aan de ander. In die dictatuur van Korea was dat juist de vraag die de kerk stelde: mogen we met het geloof naar buiten komen? Mogen we ons geloof tonen? Krijgen we de vrijheid om op onze manier bij te dragen aan de samenleving? Ginds is die strijd gestreden en verwierf de kerk een plaats. Hier hadden we lange tijd een gepriviligieerde plek en met te veel macht, maar nu dreigt het geloof verbannen te worden. Dat betreur ik. Vijandigheid voedt alleen maar geweld en agressie, terwijl veel gelovigen hoegenaamd niet gewelddadig zijn en positief willen bijdragen aan onze samenleving. Waarom dat op het spel zetten met allerlei verboden die de godsdiensten en hun gebruiken lijken te viseren?” (Netwerker van God voor de mensen, p. 54-55).

 

 

Mark Geleyn reageert in Tertio tegen het voorstel van de VLD voorzitter om de staatsfinanciering van de clerus te stoppen. Hij noemt het voorstel de godsdiensten financieel droog te leggen sectair, onnodig en gevaarlijk (Tertio, 24 mei 2017).

 

 

In de wereld zijn er uiteraard verschillende modellen van kerkfinanciering.

 

 

Geven we elke dag aan God wat aan God toekomt? Veel? Weinig? We zijn naar zijn beeld geschapen. Eerbiedigen we dit in elke medemens? Uit zorg voor de mens zullen christenen - en niet alleen zij - hun stem laten horen.

 

 

“Voor christenen geldt het gebod: ‘Geef aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is’ (Mc 12,17). Dit woord roept ons op om de politieke overheid te geven wat haar toekomt, maar ook niet meer. De christen kan en mag niet instemmen met eisen die onverenigbar zijn met het eigenlijk een uiteindelijke doel van de mens. ‘God moet men meer gehoorzamen dan de mensen’ (Hnd. 5,29).”

 

 

“Deze oriëntatie moet leiden tot instellingen en houdingen die het samenleven in de politieke gemeenschap steunen en bevorderen: bereidheid tot medeverantwoordelijkheid voor de goede opbouw van de samenleving; de moed om als burger te reageren tegen maatschappelijke en politieke strekkingen die essentiële morele waarden proberen te ondergraven; bereidheid om mensen en groepen te helpen die in de samenleving benadeeld zijn, deelname aan het proces van publieke opinievorming, enzovoort” (Leven vanuit het geloof Leidraad voor het toegepast christen-zijn, p. 273-274).

 

 

Geef wat aan de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.” De vraagstellers waren verbaasd over het antwoord van Jezus. “Ze lieten hem staan en gingen weg” (Mt. 22,22). Van ons wordt meer verwacht, dat wij begaan zijn met de samenleving en dat we dag na dag aan God geven wat Hij van zijn evenbeeld, de mens mag verwachten.

 

 

God, elke dag nieuw

 

Wie open staat voor God, gelooft in de nieuwheid die van Hem uitgaat. Dit is de boodschap die paus Franciscus drie jaar geleden op de negentwintigste zondag door het jaar meegaf. Die dag eindigde de buiitengewone synode over het gezin en werd paus Paulus VI zalig verklaard. De paus zei bij een van de meest bekende zinnen uit heel het Evangelie: “Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt” (Mt. 22, 21) het volgende:

 

 

“Op de provocatie van de farizeeën die Hem bij wijze van spreken het examen van godsdienst wilden afnemen en Hem op een fout betrappen, antwoordt Jezus met een ironische en geniale zin. Het is inderdaad een antwoord dat de Heer aan iedereen met gewetensproblemen geeft, vooral wanneer hun eigenbelang, rijkdom, prestige, macht en reputatie op het spel staan. En dat gebeurt in alle tijden, van in het begin. Het accent van Jezus ligt zeker op het tweede deel van de zin: “en (geef) aan God wat God toekomt.” Dat betekent, ten overstaan van eender welk type van macht te erkennen en te belijden dat God alleen Heer is van de mens en dat er geen ander is. Dat is het eeuwig nieuwe dat elke dag moet ontdekt worden door de angst te overwinnen die wij tegenover Gods verrassingen voelen. Hij heeft geen angst voor het nieuwe! Daarom verrast Hij ons telkens, door ons voor onverwachte wegen te openen en daarheen te leiden. Hij vernieuwt ons, dat wil zeggen, Hij maakt ons “nieuw”, voortdurend. Een Christen die volgens het Evangelie leeft is “het nieuwe van God” in de Kerk en de wereld. En God houdt veel van dit “nieuwe”! “Geef aan God wat God toekomt”, betekent zich voor Zijn wil open stellen, Hem ons leven wijden en met Zijn Rijk van barmhartigheid, liefde en vrede samenwerken. Daar ligt onze werkelijke kracht, het gist dat elke menselijke inspanning doet rijzen en het zout dat er smaak aan geeft, ingaande tegen het overheersende pessimisme dat de wereld ons aanbiedt. Daar ligt onze hoop want hoop op God is dus geen vlucht uit de werkelijkheid, geen alibi: het is op een actieve manier aan God geven wat Hem toebehoort. Daarom kijkt een christen naar de toekomstige werkelijkheid, deze van God, om het leven ten volle te leven – met de voeten op de grond – en de talloze nieuwe uitdagingen moedig te beantwoorden.”