de Doper. Bij de drie andere evangelisten (Matheus, Marcus en Lucas) is Johannes
de Doper de aankondiger, de wegbereider. Hier in dit evangelie is hij de getuige,
de aanwijzer: ‘Jezus is midden onder u, maar jullie herkennen Hem niet'.
Dat is vaak het geval , ook in onze tijd: Mensen zien Hem niet, of willen Hem niet
zien. Het past niet in hun agenda.
Dom Helder Camara was nog hulpbisschop van Rio de Janeiro in Brazilie, toen een zwarte arbeider bij hem werk kwam vragen. Camara belde meteen een bevriende zakenman en zei: 'Vriend, mijn broer zit hier bij mij. Hij is op zoek naar werk. Kun jij hem helpen?' 'Stuur hem maar hierheen, graag zelfs', zei de zakenman. Toen hij de zwarte man zag binnenkomen, pakte hij meteen de telefoon: 'Je zei me toch, bisschop, dat je je broer zou sturen, maar er staat hier een neger voor me!' 'Denk eens even na', zei de bisschop. 'Moet ik niet het evangelie van goedheid/liefde verkondigen? Is deze zwarte man niet mijn broer?'
Het rijk Gods is er niet, nog niet, en toch ook weer wel. Maar zien wij het? Hebben
wij er oog voor? Onze wereld is in nood, mensen zijn in nood, en snakken naar
bevrijding. Dichtbij worden op dit moment mensen, soms moeders met kleine
kinderen de deur van AZC's uitgeduwd, de straat op.Want ze zijn uitgeprocedeerd,
zo heet het, dus is er geen plek voor hen. Ze mogen hier niet langer zijn, en
moeten terug naar hun land, maar ze kunnen niet of durven niet terug. Waar
vinden deze mensen veiligheid, geborgenheid, beschutting, onderdak? (ik denk
aan de koude van het moment)
In Trouw van afgelopen maandag stond een artikel over deze situatie rond het
aanmeldcentrum in Zevenaar. Sommige inwoners van Zevenaar vinden dat de
gemeente containers voor het AC moet plaatsen, zodat ze niet de hele tijd tegen
die asielzoekers hoeven aan te kijken, die op straat slenteren. Dat bederft hun
kerstdiner. Maar er zijn anderen: de 46 jarige Bertus van de Weerd en zijn vrouw
en twee kinderen zijn al drie en een half jaar bezig met de opvang van op straat
gezette asielzoekers. In totaal heeft hij 260 dakloze vluchtelingen geholpen. In
overleg met zijn gezin heeft Bertus de zolder van zijn huis tot kamertjes gemaakt
om op straat gezette mensen, voor zolang nodig, een warme plek te geven. "Hij is
midden onder u, in Bertus en zijn gezin, maar jullie herkennen Hem niet.'
Het rijk Gods is er niet, nog niet, en toch ook weer wel, temidden van al die nood
en al die rottigheid. Jezus van Nazareth wist van het lijden en de nood van al die
mensen. Hij begreep waar al dat lijden aan te wijten was. Hij zocht die mensen op,
hij voelde hun pijn, Hij zag hun nood. Hij vertelde in allerlei verhalen over God,
de liefdevolle God, die begaan is met mensen en die zijn Naam noemde: ‘Ik ben er
voor jou'. Hij maakte letterlijk die Naam van God waar in zijn relaties met
mensen. Hij was er voor hen, voor iedereen, vooral voor hen die angsten en
zorgen kenden, de kleinen, de kwetsbaren, vluchtelingen, voor wie in deze wereld
geen plek is. In Jezus was Gods liefde onder ons verschenen, mens geworden.
Johannes de Doper had als eerste in de gaten, dat deze Jezus die zo met mensen omging, de Messias moest zijn, de verlosser. Midden onder u staat Hij, maar jullie herkennen Hem niet.
Ook vandaag in onze wereld is Hij aanwezig, temidden van heel veel rottigheid.,
in mensen, als Bertus, met die grondhouding van eerbied en respect voor de
anderen, van zorg voor die kleine, kwetsbare, zwakke mensen; met die
grondhouding van menselijkheid en liefde. God wordt in deze mensen zichtbaar
onder ons. Een grondhouding, die telkens opnieuw - in wat voor situaties dan ook
gestalte krijgt in hun keuze voor heel concrete mensen, in de keuze voor het
leven. Een grondhouding die altijd gericht is op leven schenken, op leven delen, op het brood breken, zelfs met inlevering van eigen leven.
‘Zonder dat jullie het weten, staat Hij al midden onder jullie', zei de Doper; de
joden zagen het niet. Door deze woorden in de mond te leggen van Joh. de Doper,
vertolkt de evangelist zijn diepe ontgoocheling, dat de joden als religieuze groep
Hem niet wilden herkennen. Zo is het vandaag, 2000 jaar later. Velen zien Hem niet, en zij zijn doemdenkers vanwege alle rottigheid. Maar anderen zien Hem temidden van dezelfde rottigheid, Gods liefde zichtbaar aanwezig in mensen als Bertus en zijn gezin.
Hoe staat het met ons? Met ons als parochiegemeenschap? Zien wij als gemeenschap de mensen, die tekort komen, die aandacht nodig hebben, die wegkwijnen, die uitgesloten worden (op wat voor gronden dan ook), die het niet redden (alleen of als gezin), die onredelijk gepakt worden door de bezuinigingsmaatregelen, of die als vreemdelingen in ons midden onredelijk gepakt worden door de overheid? Herkennen wij Gods aanwezigheid in gewone mensen als u en ik, die daar oog voor hebben, en die daar werk van maken? Die, als Bertus, arme mensen niet in de kou laten staan?