2e zondag door het jaar B - 2021

Zusters en broeders,

In de eerste lezing horen we hoe de profeet Samuel door de Heer geroepen wordt, maar hij is nog zo jong en onervaren dat hij dat niet door heeft. Het is pas als zijn leermeester Eli hem erop wijst dat het de Heer is die hem roept, dat hij antwoordt: ‘Spreek, Heer, uw dienaar luistert.’

Misschien zijn we ons daar niet van bewust, maar wellicht zijn ook wij heel dikwijls de jonge Samuel die het niet door heeft dat de Heer hem roept. Nochtans roept de Heer ook ons bij onze naam, en vraagt Hij ook ons om naar Hem te luisteren. En als we dat deden, als we dus echt naar Hem zouden luisteren, zouden we veel stemmen horen van grote en kleine, en jonge en oude mensen via wie God tot ons spreekt. Een kind dat aandacht vraagt aan zijn ouders. Een zieke die graag eens bezoek zou krijgen. Een oudere die zichzelf niet meer kan behelpen. Een gehandicapte die niet voor zichzelf kan zorgen. Een arme die geen toekomst heeft. Vluchtelingen zonder huis of thuis. Slachtoffers van mensenhandel … Zoveel naasten zijn hulpbehoevend, eenzaam, verlaten, en vragen om aandacht, om hulp, om menselijke warmte. ‘Nodig een eenzame uit’ is een slogan die we dikwijls horen. Misschien vinden we dat een heel mooie slogan, maar hebben we het ooit gedaan? Hebben we ooit eens een eenzame uitgenodigd? Hebben we er in deze moeilijke coronatijden zelfs maar aan gedacht binnen de wet een eenzame op te vangen, al was het maar met een babbeltje op straat, in de winkel, op de parking van het warenhuis, of hielden we ons zo verborgen achter ons mondmasker dat niemand ons kon herkennen en ook wij niemand herkenden?  

Samuel is echter niet de enige die ons een na te volgen voorbeeld geeft. Dat doet ook Jezus. Wanneer twee leerlingen  van Johannes de Doper Hem achterna komen, vraagt Hij: ‘Wat verlangt gij?’ Hij zegt dus niet: ‘Kom en volg Mij en doe wat Ik zeg’, maar vraagt wat zij willen. Dat is een vraag die ook dikwijls aan ons wordt gesteld: door onze partner, onze kinderen of kleinkinderen, onze ouders, onze werkgever. Eigenlijk door gelijk wie van onze medemensen. ‘Wat wil je? Waar wil je naartoe?’ Het is een vraag die ook Jezus ons stelt, net zoals Hij ze aan die twee leerlingen stelt. ‘Wat verlang je? Wil je Mij volgen, of kom je alleen maar eens kijken wat Ik allemaal zeg en doe? Of wil je nagaan of je er iets aan overhoudt als je Mij volgt?’

En dat is een vraag die wij zeker aan onszelf moeten stellen: volgen wij Jezus in zijn woorden en daden van liefde, vrede en gerechtigheid, of brengen we het niet verder dan luisteren, maar niet doen? En als we echt naar Hem luisteren, zeggen we dan, net als Samuel: ‘Spreek, Heer, uw dienaar luistert’? Samuel zegt niet: Ik ben een belangrijke jonge man, ik woon in de tempel, ik spreek hoge woorden. Nee, hij noemt zich Gods dienaar, en hij weet wat dat inhoudt: dat is luisteren en handelen naar Gods woorden en daden van liefde, vrede en gerechtigheid voor alle mensen.

Wat zou het goed zij als ook wij dat zouden doen, in deze vreselijke tijd van zoveel eenzaamheid, zoveel verlatenheid en zoveel groeiende armoede. Armoede die zich op een vreselijke wijze vertaalt in de strijd tegen het coronavirus. In die strijd hebben de rijke landen net iets minder dan honderd procent van de beschikbare en nog te maken vaccins aangekocht. De arme landen komen samen nog niet eens aan een half procent. Maar die arme landen betreffen wel veel meer dan de helft van de wereldbevolking.  

Zusters en broeders, zo is de vreselijke werkelijkheid als wij en onze medemensen alleen aan onszelf denken en voor onszelf leven, en we ons niet spiegelen aan Samuel en aan Jezus. Laten we dat dus zeker wél doen: luisteren naar God, luisteren naar Jezus, en ons in heel ons doen en denken laten leiden door hun woorden en daden van liefde, vrede en gerechtigheid voor alle mensen, want allen zijn ze onze broers en zussen, allen zijn ze kinderen van onze Vader in de hemel. Amen.