De beschrijving van het openbare leven van Jezus begint bij alle vier de evangelisten met het optreden van Johannes de doper. Lucas leidt dat optreden vandaag plechtig in. Tegenover de uitvoerige opsomming van de grote namen, die suggereren waar in die dagen de macht lag, staat kort en goed die woestijnfiguur, Johannes, tot wie het woord van God komt.
Wat horen we, hoe is de situatie in die dagen?
Een corrupte dictator, keizer Tiberius, regeert met harde hand. Pilatus staat aan het hoofd van het Romeinse bezettingsleger. De plaatselijke collaborerende marionet is Herodes en Annas en Kajafas zijn de onbetrouwbare godsdienstige leiders. Jezus en Johannes zullen er in de praktijk nog mee geconfronteerd worden, zo zal later blijken. De onderdrukte bevolking is straatarm vanwege de hoge belasting aan tempel en bezettingsmacht. Het is een heel beroerde tijd.
Lucas maakt van meet af aan duidelijk dat het niet die `groten' der aarde zijn, die de loop van de geschiedenis zullen gaan bepalen. Zij vormen slechts het decor. Nee het heil komt uit een heel andere hoek: `Toen kwam het woord van God over Johannes, zoon van Zacharias die in de woestijn verbleef'. Lucas voert hier Johannes eigenlijk op als de laatste oud-testamentische profeet. Hij treedt in de voetsporen van de grote profeten als Jesaja en Jeremia.
Johannes had de wereld van de Romeinse machthebbers en de corrupte geestelijk leiders de rug toegekeerd en zich teruggetrokken in de woestijn. In die stilte van de woestijn zocht hij God.
God, die in de tempel van Jeruzalem niet meer te vinden was.
En hij vond God! Beter misschien: God vond Johannes.
Er staat immers geschreven: `het woord van God kwam over hem'.
Wij moeten verre reizen maken om in de woestijn te komen. Die woestijn, die staat voor een verlaten gebied. Een plaats waar je helemaal in de stilte bent. In onze situatie een natuurgebied; uit de bewoonde wereld. Afgelopen week heb ik met iemand twee dagen een stukje van het kustpad gewandeld. Een wandelpad, dwars door oude duinen met ruige beplantingen, zoals duindoornstruiken, naaldbossen, hoge duinen met helmgras en daarachter natuurlijk het strand en die uitgestrektheid van die zee. Dat roept bij mij iets oneindigs op, zoals ik mij dat ook voorstel in zo'n woestijn. Verwondering. Verwondering over de schepping.
In de stad kom je overal menselijke scheppingen tegen, beantwoordend aan menselijke ideeën van nut en schoonheid. In de natuur ontmoet ik vaak gemakkelijker een andere scheppende Geest, een Geest die een appél op mij doet: God! In die stilte word je als het ware `omgevormd'; het doet je beter beseffen waarvoor je staat, wat je roeping is als mens. En geroepen zijn wij; allemaal, niemand uitgezonderd. Geroepen om te werken aan het Rijk Gods.
Dat Rijk Gods waar Johannes en Jezus over spreken valt niet samen met het einde der tijden, het gaat niet over het hiernamaals. Het is , het kan komen onder ons, in het `hiernumaals'; vandaag, morgen of overmorgen.
Het Rijk Gods als rijk van gerechtigheid, vrijheid en vrede moet worden opgebouwd, moet worden opgebouwd door ons. En dan moeten er obstakels worden afgebroken, dan moet er soms zelfs puin worden geruimd. Bergen en dalen zijn te vinden bij de wereldheersers en kerkelijke autoriteiten die Lucas noemt. Die denken dat ze God zelf zijn. Maar bergen van hoogmoed en dalen van zondigheid en vele kronkelpaden vinden we ook terug in ons eigen leven. Die wegen zullen wij zelf moeten effenen. `De kronkelpaden moeten recht, de ruwe wegen effen worden'.
Gods redding bestaat hierin dat wij elkaar bereiken, naar elkaar luisteren, openstaan voor elkaar, elkaar respecteren, elkaar nabij zijn, ook als gemeenschap hier in Tiel. Johannes roept op tot `ommekeer'; alles opruimen wat de weg verspert voor God, opdat het metterdaad kan gebeuren dat `alle mensen de redding zien die van God komt'
De boodschap van de profeet Baruch, (Baruch betekent `Gezegende'), mogen we in hetzelfde perspectief verstaan. God zal over het volk, over ons dus, het licht van zijn gerechtigheid en barmhartigheid doen schijnen, maar dan moeten wij eerst zelf de mantel van gerechtigheid aantrekken en werken aan die vrede. Gods heil toont zich waar mensen zich omkeren en toewenden naar God. Slechts onder die voorwaarde kan God zijn werk doen. Het gaat ook in die 1e lezing niet om één of ander bovenaards heil, de hemel zogezegd, nee het gaat om een hemel hier op aarde, om Gods Rijk onder ons, hier en nu.
Op 10 december, vandaag dus, wordt traditioneel de internationale Dag van de Mensenrechten gevierd. Het is tevens de dag waarop Amnesty International wereldwijd actie voert om schendingen van de mensenrechten tegen te gaan. Werken dus aan die hemel op aarde.
Geloven in dat visioen; werken aan dat visioen. Het gaat om het goede en ware leven voor allen.
Geloven verdort wanneer het losstaat van ons doen en laten. Het wordt ongeloofwaardig als we onze ogen afwenden, onze oren dichtstoppen, onze mond sluiten, onze handen niet uit de mouwen steken, onze benen niet op weg laten gaan naar elkaar toe, als we ons hart niet laten spreken.
Als we ons niet meer ontfermen over mensen die niet tot `leven' komen door onrecht, vernederingen, armoede, oorlog en geweld. Als we ons niet meer bekommeren om hen die het moeilijk hebben, dichtbij.
Zo wordt de Advent wel iets anders dan toeleven naar een romantisch kerstfeest. Dan wordt Kerstmis het feest van `ommekeer', van `wedergeboorte', van handen uit de mouwen, van de daad bij het woord, van doen , van wording van mensen naar Gods hart, van gelijkenis ook met Maria, onbevlekt ontvangen, wier feest wij ook in dit weekend vieren.
Dat wij, in het voetspoor van Johannes, ware wegbereiders mogen worden en zo ruim baan maken voor Hem, die wij met Kerstmis verwachten.