Tijd door het jaar (C)

 

 Getallen en aantallen kunnen mensen fascineren. Politici volgen met aandacht de peilingen. Mensen pakken uit met hun aantal volgers, likes en views. Weten is meten en dit is vaak getallen tellen. Kerken houden statistieken bij.

Jezus krijgt een vraag over het aantal geredden. De man die ze stelt, lijkt ervan overtuigd dat niet iedereen gered wordt, al zeggen we wel dat God het heil van elkeen wil. Of denkt hij dat hij er zelf bij zal zijn en dat er anderen zijn, die het niet zullen zijn.

Wij mogen wel zingen dat wij allen in de hemel komen maar we mogen onze wensen niet voor waar nemen.

Vragen naar aantallen

Of is de vraag naar het aantal geredden, naar hen die in de hemel komen een vraag die mensen nu niet meer interesseert. Immers dood is dood. En toch blijft de vraag hangen. Is er toch iets na de dood? En zelfs zo er niets is, dan staan we toch altijd voor de opdracht om nu in dit leven waardig te leven en bij te dragen tot het welzijn van allen.

Naast de vraag naar het aantal geredden, horen we op onze dagen wel de vraag naar de toekomst van de kerk. Hoe groot is het aantal van hen die haar trouw blijven? We zien hoe dit aantal afslankt, althans in onze contreien. Zo is in Duitsland de laatste jaren het aantal mensen die uit de kerk uittreden, sterk toegenomen. We staan voor een afslanking. Zijn er nog velen die meedoen? Hoe zijn we kerk en hoe stralen we iets uit van een gelovige houding? Waarom verliezen we aan aantrekkingskracht? Mensen die afhaken van de kerk, houden daardoor toch niet op goed te zijn. Zij blijven zoeken naar zingeving en spiritualiteit. Lichtpunten in tijden van kerkelijke krimpscenario’s zijn welkom en die zijn er! 

Dit zijn vragen die opduiken in de gesprekken van de voorbije maanden over de synodaliteit. Zie het document met de Nationale synthese van het synodaal overleg in de Kerk in België, gepubliceerd op 6 juli 2022 (Kerknet).

We kunnen er zelfs de vraag aan toevoegen die Jezus verderop in het evangelie aan zijn leerlingen stelt: “Zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?” (Lc. 18,8).

Wij rollen niet automatisch naar de hemel langs een brede weg. “Ook wie veel in het spoorboekje leest, mist weleens een trein” (J. Brouwers, De laatste deur. Supplement, p. 59).

Psalm 15 geeft al een aanzet om de vraag naar het aantal te beantwoorden. Op de vraag: “Heer, wie mag wonen in uw tent? En wie mag rusten op uw heilige berg?” zegt hij: “Hij wiens levenswandel onbevlekt is en die de gerechtigheid beoefent, die de waarheid spreekt in zijn hart; die met zijn tong geen bedrog pleegt, die zijn naaste geen kwaad doet, die niet duldt dat zijn naaste belasterd wordt.” In zijn kloosterregel haalt de heilige Benedictus deze woorden aan en schrijft hij: “Als wij in zijn tent , dat wil zeggen, in dat Rijk willen wonen, zullen wij daar slechts kunnen komen door ons erheen te spoeden door het goede te doen.”

Inzet en genade

Lucas brengt drie uitspraken van Jezus samen en hij beluistert ze vanuit de geschiedenis van de jonge kerk, waar heidenen naast Joden de boodschap van Jezus aannemen. De Joden zijn de eerst geroepenen. De heidenen volgen.

Op onze dagen kunnen we in Europa de ervaring hebben bij de laatste te zullen zijn, daar waar volkeren in Afrika meer aandacht hebben voor de boodschap van Jezus.

Jezus geeft geen direct antwoord op de vraag naar het aantal. Maar hij zegt heel duidelijk dat wij ons moeten inspannen. Op de theoretische vraag over het aantal geeft hij een praktisch antwoord: span je in, bekeer je, zoek en bevorder gerechtigheid. Wij kunnen niet automatisch door de nauwe deur. Of wij binnenkomen hangt van ons af én van God.

Jezus komt later nog eens terug op de vraag naar het aantal, wanneer hij spreekt over de genodigden voor een groot feestmaaltijd (Lc. 14,15-24). Zij die eerst uitgenodigd waren, kwamen niet en gingen niet in op de uitnodiging. Daarop werden armen, gebrekkigen, blinden en kreupelen naar het feest geleid. Daarna kregen de dienaren de opdracht van overal dringend mensen uit te nodigen tot wanneer het huis vol zou zijn. Dit is een evangelietekst met daarin grote hoop en een ernstige waarschuwing.

Er is een spanning tussen God, de nabije en de heilige, de barmhartige en de strenge. God is soeverein. Hij is genadig en streng. De hemel is niet het resultaat van ons werk. Het is een gave van God. Wij houden daarom aan een levensregel die al te vinden is bij Sint Augustinus en aanbevolen werd door de heilige Ignatius van Loyola: “Leef zo alsof alles van u afhangt, bid alsof alles van God afhangt.”

De Bijbelse God vraagt dat we kiezen voor het leven en dat wij de levensgeboden onderhouden. Op de vraag van een wetgeleerde over het eeuwig leven verwijst Jezus naar de wet van Mozes. Wij moeten aan de Heer gehoorzamen en zijn geboden onderhouden (zie 15° zondag C, Deut. 30,10).

Waakzaam

Jezus laat horen dat onze inzet moet blijven, dat het niet een gemakkelijke weg is. Hij zelf ondervindt het in zijn leven en bij zijn opgang naar Jerusalem. Het volstaat ook niet om te zeggen dat we wel iets weten over hem. Hebben wij er gestalte aan gegeven. Hebben we gehandeld zoals hij van ons verwacht?   Hebben we de gerechtigheid nagestreefd? In zijn toespraken had Jezus al opgeroepen om goede vruchten voort te brengen (Lc 6, 43-45). Hij had hen al op het hart gedrukt om waakzaam te zijn (Lc. 12,35-38).

Wie onrecht begaat nu, komt er niet. Toch houdt het evangelie het perspectief open dat er redding is voor de zondaar en dat God op zoek gaat naar het verlorene (Lc. 15, 1-10).

Zo we zelf goede deurwachters zijn, mogen we hopen dat Heer de deur zal openen voor zijn dienaars.

Het is langs een deur of een poort dat wij een huis of een eigendom binnengaan. Maar deze is soms gesloten en mensen moeten buiten wachten. Daarover kunnen asielzoekers meespreken, die bij gesloten deuren buiten moeten slapen.

In het vierde evangelie noemt Jezus zich de deur, waarlangs men kan binnengaan en uitgaan om weide te vinden. “Ik ben de deur” (Joh. 10,9).

In het boek van de Openbaring komt Jezus aankloppen aan onze deur: “Ik sta voor de deur en Ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hen binnenkomen en maaltijd met hen houden” (Apoc. 3,20). Jezus klopt aan onze deur. Wie voor Jezus hun deur openen, hebben goede reden om te hopen dat de Heer Jezus ook voor hen de deur zal openen en dat zij mogen aanzitten aan het hemels gastmaal. Wij volgen de raad op uit de brief aan de Hebreeën. Wij heffen de slappe handen op, wij strekken de wankele knieën en laten onze voeten rechte wegen gaan (Hebr. 12,12-13).

**********


„Der zweite Text ist der vom großen Gastmahl (Lk 14,16-24 par). Dieses Evangelium ist zunächst in sehr radikalem Sinne Frohbotschaft, wenn es erzählt, dass am Ende der Himmel vollgestopft wird mit allen, die man nur irgendwie auftreiben kann; mit Leuten, die gänzlich unwürdig sind, die im Verhältnis zum Himmel blind, taub, lahm, Bettler sind. Also ein radikaler Gnadenakt, und wer wollte bestreiten, dass nicht auch etwa all unsere modernen europäischen Heiden von heute auf diese Weise mit in den Himmel hinein kommen können? Jeder hat auf Grund dieser Stelle Hoffnung. Andererseits: Der Ernst bleibt. Es gibt die Gruppe jener, die für immer zurück gewiesen werden. Wer weiß, ob unter diesen zurück gewiesenen Pharisäern nicht auch so mancher ist, der glaubte, sich für einen guten Katholiken halten zu dürfen, in Wirklichkeit aber ein Pharisäer war? Wer weiß freilich umgekehrt, ob unter denjenigen, welche die Einladung nicht annehmen, nicht gerade auch jene Europäer sind, denen das Christentum angeboten war, die es aber haben fallen lassen? „ (J Ratzinger, 1958).