De bezorgde vraag van Jezus (Lc. 18,8)

Op weg naar Jeruzalem blijft Jezus begaan met de vorming van zijn leerlingen. Lucas geeft het aan in een krachtige zin: “Hij leerde hen dat ze steeds moeten bidden en daarin niet versagen” (Lc. 18, 1).

De Nederlandse exegeet Nico Riemersma geeft de voorkeur aan volgende vertaling: “Hij sprak hun een gelijkenis met het oog dat ze altijd moeten bidden en niet moedeloos worden.” Deze uitdrukking laat volgens Riemersma de emotie horen, die kan ontstaan als het voortdurend bidden niet de verhoring krijgt die wordt gewenst. Wie bidt mag de moed niet verliezen.   Daar waar de scepticus de vraag stelt of bidden wel iets uithaalt, dringt Jezus aan om altijd te bidden en niet op te geven. Wordt er op onze dagen nog veel gebeden? Hoe en wanneer bid ik zelf?

Het is niet de eerste keer dat Jezus met zijn leerlingen over het gebed spreekt. Zij hadden hem immers eerder al gevraagd dat hij hen zou leren bidden (Lc. 11,1) en zij hebben hem herhaaldelijk zien bidden. Hij had toen al gesproken over een man die niet wou gestoord worden in zijn nachtrust door een gebuur die om brood vraagt. Maar wegens diens aandringen, staat hij toch op en geeft het brood (Lc. 11, 8). En zo gaat het ongeveer ook in de gelijkenis van de hardvochtige rechter en de weduwe.

Het verzoek van de weduwe

Dit verhaal van Lucas 18,1-8) omvat drie momenten.

“1. De opdracht om altijd te bidden en niet moedeloos te worden.

  1. de gelijkenis met de weduwe die de rechter voortdurend oproept om haar recht te verschaffen en de gelijkenis met de rechter die uiteindelijk gehoor geeft aan de oproep van de weduwe en de vrouw recht verschaft.
  2. de toepassing met daarin de verzekering dat God uiteindelijk gehoor zal geven door de uitverkorenen, die dag en nacht roepen, recht te verschaffen” (N. Riemersma, Het Lucasevangelie onder de loep, p. 224).

Wanneer Jezus opnieuw spreekt over het bidden, houdt het deze keer verband met zijn boodschap over de komst van het Rijk Gods. Dit is reeds onder ons, maar wij blijven uitkijken naar de komst van de Mensenzoon. Waar aanvankelijk gedacht wordt, dat dit spoedig zou gebeuren, laat Lucas in zijn verhaal horen dat dit op zich zou kunnen laten wachten.

Als mensen uiteindelijk ingaan op een indringende bede, hoe veel te meer dan God. Wie in hem gelooft en op hem vertrouwt, volhardt in het bidden. God is rechter, maar Hij is geen onrechtvaardige rechter. Bij het bidden kan het wel duren eer Hij het verhoort. Is het omdat wij met te veel woorden komen aandraven of omdat we vragen om dingen, die niet noodzakelijk zijn of doordat wij ons te weinig inspannen om de wereld te bezien vanuit zijn standpunt?

Wordt er nog veel gebeden in de wereld? Een aantal mensen maken wel tijd voor stilte, voor inkeer. Stilte kan ons veel aanbrengen. In de stilte voelen wij ons ademen, beseffen we dat wij behoren tot een groter geheel. Verwondering kan een weg zijn naar een dankgebed.

Bijbels bidden

Bijbels bidden is bidden in verbinding. Het is bidden, zegt Paulus, in verbondenheid met de Geest (Rom. 8,15). “Je denkt dat je niet bidden kunt. Toch is Christus de Opgestane aanwezig. Hij heeft je lief alvorens jij hem liefhebt. Door zijn Geest die in onze harten woont, bidt Hij is in jou meer dan je vermoedt” (Frère Roger, Taizé).

Het bidden, het is aanwezig in gans de bijbel. Abraham bidt tot God, o.a. voor de redding van Sodom en Gomorra (Gen. 18, 22-33). Mozes, de vriend van God (Ex. 33,11), spreekt herhaaldelijk tot God en vraagt hem het volk te sparen na hun ontrouw. Tijdens de aanval van Amalek tegen Israël, staat Mozes in een biddende houding met opgeheven armen op een heuvel (Ex. 17,11-12).

Koning David bidt vaak, nu eens om te danken (2 Sam. 7,18-29), een andere keer uit boete (2 Sam. 12,13). Er zijn 150 psalmen en elke psalm is een gebed

Het Oude Testament bevat zoveel voorbeelden van biddende menen. Een van hen is koningin Ester (Ester 14,3-5; 12-14).

De gelovige Jood zowel in het Eerste Testament als in het Tweede en tot op vandaag bidt elke dag tot God. Shema Israël Hoor Israël, Adonai, onze God, Adonai is Eén. (Deut.6,14).

De eerste gemeente in Jeruzalem is trouw aan het gebed (Hand. 2,42). Paulus dringt in zijn brieven aan om te blijven bidden (cfr. Fil, 4,6; 1 Tim. 2,1-2). “Bidt zonder ophouden. Dankt God voor alles. Dit is wat de Heer van u verlangt in Christus Jezus” (1 Thess. 5,17-18). “Volhardt in het gebed” (Rom. 12,12).

Zoals Bijbelkenner Hermann-Josef Venetz (1938-2021) aangeeft, mogen we de bijbel beschouwen als een groot gebedenboek, waarin mensen zich tot God richten en waarin inzichten van God ons meegegeven worden door de profeten en vooral door Jezus. “Wanneer wij de bijbel openen, vinden wij mensen in gesprek met God of over God. En wij vinden God in gesprek met mensen of over mensen. De Bijbel is een opvallende dialoog tussen God en de mens. Wanneer wij ons bij deze dialoog aansluiten, beginnen we te bidden. Het gebed heeft niet veel woorden nodig. Het volstaat dat wij een Bijbeltekst aandachtig lezen, zorgzaam luisteren en dat wij de woorden die ons aanspreken ons hart laten raken en in beweging brengen.”

En de Zwitserse professor Venetz vertelde hierbij over een kleine jongen uit de lagere school die in de biecht zei dat hij bij het bidden niet aan God had gedacht. De biechtvader vraagt hem dan waar deze God is, aan wie hij tijdens het gebed zou moeten denken. Waarop de kleine jongen prompt antwoorde: “God is in de hemel.” “En waar is dan de hemel?” vraagt de biechtvader. Het antwoord klonk wat onzeker en de jongen zei: “Hierboven”. En hij wees met zijn vinger naar boven. Wellicht had hij bij het geven van dit antwoord aangevoeld dat hij zich op glad ijs begaf, waarop hij stillekes zei: “Wacht even” en dan klaar en beslist antwoordde:” „In meinem Herzen! “In mijn hart.”


De prof stelt zijn toehoorders daarop de vraag: Wanneer klopt ons hart met de hartenklop van God? Het klopt in eenklank met dit van God, als de liefde ons leidt. God woont in ons hart wanneer wij zorgen voor gerechtigheid, wanneer we vooroordelen, angst en haat uit ons hart bannen. Pas wanneer onze belijdenis in God zich uit in naastenliefde kunnen we zeggen dat God in ons hart woont.

Bidden ontslaat ons niet zelf actief te zijn. “Help u zelf, zo helpe u God”, antwoordde een vrouw tijdens een interview. Zij vertelde van de man die bad om succes bij de loterij en aan wie ze antwoordde: “O.K., maar begin dan met een lotje te kopen.”

Geloof, zal de Mensenzoon het vinden?

Zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?” Dit is een zeer bezorgde vraag. Bij zijn optreden verwachtte Jezus geloof bij zijn toehoorders en volgelingen. Hij feliciteerde de honderdman om diens groot geloof, want zelfs in Israël had Jezus zo een groot geloof niet gevonden (Lc. 7, 9). “Uw geloof heeft u genezen”, zei hij tot de vrouw, die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed (Lc. 8,48). “Waar is uw geloof?’ vroeg Jezus aan zijn apostelen bij de storm op het meer (Lc. 8,25) Toen hij bad in de Hof van Olijven voelde hij zich in de steek gelaten door zijn leerlingen aan wie hij gevraagd had te bidden (Lc. 22, 46).

Als de Mensenzoon komt, zal hij nog geloof vinden? Dit was een vraag van de jonge kerk. Waar aanvankelijk gedacht werd aan een spoedige terugkeer, is het besef dat het nog lang zou duren.

Het is een vraag van onze dagen. Een bepaalde vorm van kerkzijn en geloof verdampt. Zestig jaar geleden, op 11 oktober 1962 begon het tweede Vaticaans concilie. Tijden veranderen en in de voorbije zestig jaar is er veel veranderd, ook in de kerk. De ene beschouwen het als een woestijntijd, waarin de optimist toch telkens oasen ontdekt en werkt om Spaces for grace te doen ontluiken.

Wij zoeken naar wegen om het Evangelie te verkondigen in veranderende tijden en na de pandemie. We delen de zorg om teken van heil te zijn en heil te brengen in de wereld. “God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered” (Joh. 3,17). Tijdens een vormingsweek in Rome hoorde bisschop Lode Van Hecke   paus Franciscus zeggen: “De kerk is echt een historische draai aan het maken”. En hij voegde er zelf aan toe: “Maar die draai moeten wij maken. En zonder gebed en geloofsverdieping nemen we de verkeerde draai. We moeten geen dag wachten om op die manier Kerk te zijn. De tijd dringt.”

Oktober, missiemaand. Deze is er om meer bewust te worden van de missionaire kerk. Dit in verbondenheid met de kerk in andere continenten, en met als opdracht eveneens hier in ons land en daar waar we leven zelf missionair te zijn. Daarvoor blijven wij bidden tot het einde toe met de bede: “Kom Heer Jezus kom”

Bidden dat wij zelf standhouden, dat wij niet opgeven. Wij hopen dat we hier en elders medemensen vinden die ons ondersteunen, zoals de helpers van Mozes deden in de strijd van Israël tegen Amalek.